Meteen naar de inhoud

A2. Resultaten van onderzoeken

A2.1 Eerder onderzoek in binnen- en buitenland

Walford deed een gedetailleerd onderzoek naar klachten over LFG in het Verenigd Koninkrijk. Hij las zo’n 2000 brieven die kranten, de BBC en geluidadviseurs hadden ontvangen en  zag in die brieven duidelijke overeenkomsten, o.a. dat het bijna allemaal ‘keurige brieven’ waren (1% was ‘zonderling’). Uit de meeste brieven bleek dat de brom plotseling begon, heel laagtonig was en klonk als een bonzend geluid. Het geluid was meestal niet hoorbaar voor anderen, maar toch hoorden velen de brom boven de radio of televisie uit komen. Sommigen voelden ook een trilling vanuit de vloer, stoel of bed; maatregelen om stoel of bed te isoleren hielpen niet. De brom was vooral thuis en op stille plekken hoorbaar, maar kon ook op vakantie hoorbaar zijn. De briefschrijvers vonden huisartsen meestal niet behulpzaam; die schreven wel grote hoeveelheden pillen voor (kalmerings- en slaapmiddelen). De briefschrijvers wilden weinig weten van medische of psychologische hulp, maar wel graag hulp van akoestici en natuurkundigen. Veel briefschrijvers vonden zich zelf extra gevoelig voor geluid, hoewel dat soms samenging met ernstige gehoorklachten of het gebruik van gehoorapparaten. Velen waren overtuigd van een geluidbron in de omgeving (altijd ‘man made’, nooit natuurlijk) en waren vooral ’s nachts heel actief in het opsporen van de bron, maar zonder resultaat. Als onderzoekers geen geluid konden vinden, werd wel gedacht aan een andere (niet-akoestische) oorzaak, maar volgens de briefschrijvers kon het geen tinnitus (‘oorsuizen’) zijn.     

Walford onderzocht 48 ‘Hummers’ (de LFG-getroffenen) in een laboratorium. Hij probeerde o.a. de brom van elk te vergelijken met een geluid dat met hun brom overeenkwam. Daaruit bleek dat: 1) het vergelijkbare geluid meestal tussen 30 en 100 Hz lag en vooral rond 40 Hz; 2) de variatie in sterkte (het bonzen) vooral tussen 60 en 100 keer per minuut lag; 3) de sterkte van het met het LFG vergelijkbare geluid vaak zo hoog was dat dat voor bijna iedereen hoorbaar was. Een geluid van deze sterkte zou met een geluidmeter makkelijk gemeten kunnen worden, maar toch was de hinderlijke brom niet meetbaar. Acht van de 48 ‘Hummers’ (17%) voelden ook trillingen als ze hun Brom hoorden.

Daarna werden de gehoordrempels gemeten en daarbij bleek dat bij de ‘Hummers’ twee groepen voorkwamen die bij lage frequenties ofwel goed of juist slecht hoorden. Walford vergeleek de 48  LFG-getroffenen met 55 mensen die bekend waren in een KNO-afdeling van een ziekenhuis en last hadden van een laagtonige tinnitus (‘oorsuizen’). De ‘Hummers’ hoorden hun Brom harder dan de patiënten hun tinnitus. Verder waren er vooral overeenkomsten tussen beide groepen: de frequentie van het hinderlijke geluid (LFG of tinnitus) kwam overeen, net als de frequentie van het bonzen (bij hen die dat hoorden). Walford concludeerde dat (een vorm van) tinnitus de meest waarschijnlijke oorzaak was van de klachten, hoewel dat niet voor alle ‘Hummers’ gold (vier van hen hoorden volgens hem een extern, geen intern geluid). Hij noemde het ‘merkwaardig’ dat de Hummers hun “tinnitus ontkenden, ook als zeker was dat dat de oorzaak was van hun Hum”.

Nederland 2000. Dit onderzoek werd uitgevoerd door Frits van den Berg van de Natuurkun­dewinkel RuG, verspreid over het land bij 19 mensen die hinder ondervonden van laagfre­quent geluid. Zij hadden eerder al deelgenomen aan een onderzoek naar persoonskenmerken van mensen die last hebben van LF geluid. In vrijwel alle gevallen wisten de gehinderden niet wat de bron van het geluid was, zelfs als het geluid nogal luid was. Een vergelijkingsgroep van 17 locaties (zonder klachten over LF geluid) werd samengesteld op grond van overeenkomsten in spreiding over het land, type woning en woonom­geving. De gehinder­den hebben het geluid enkele keren zelf opgenomen met tenminste één keer dat zij de brom goed konden horen. Uit de metingen bleek dat het vooral ’s nachts in de woningen heel stil was en dat er gemiddeld weinig verschil was tussen woningen waar wel en geen hinder optrad. ‘s Nachts waren de geluidsniveaus vrijwel gelijk, overdag was het zelfs wat stiller in woningen met hinder. Slechts in enkele woningen (van zowel gehinderden als de controlegroep) werden normen voor aanvaardbaar laagfrequent geluid overschreden, maar de meeste bleven daar ruim onder.

De gevallen met hinder konden in drie groepen worden verdeeld: 1) in enkele gevallen (3 van de 19) was het zeer aannemelijk dat meet- en hoorbaar laagfrequent geluid de klachten veroorzaakte; 2) ook in enkele gevallen (5 van de 19) kon geen laagfrequent geluid worden aangetoond dat de klachten zou kunnen verklaren; 3) in de meeste gevallen (11 van de 19) werd er wel zacht tot heel zacht hoorbaar laagfrequent geluid gemeten, maar was het de vraag of dat inderdaad de klachten veroorzaakte (de gehinderden hoorden meestal een vrij hard geluid). De gevallen in deze groep lijken daarom eerder onder groep 2 (geen extern geluid) dan groep 1 (wel extern geluid) te vallen.

Verenigd Koninkrijk 2007. Waddington en collega’s deden een vergelijkbaar onderzoek in 10 woningen met LFG-klachten en 5 woningen zonder. Zij verdeelden de woningen op basis van metingen, vergelijking met internationale normen en hinderregistratie LFG in dezelfde drie groepen als hierboven: 1) meetbaar geluid hangt samen met klachten (3 van de 10); 2) hangt niet samen (5); 3) onduidelijk (3). De vijf controlewoningen bleken niet per se stiller en kwamen soms ook boven internationale normen uit, hoewel daarover geen klachten waren.

Denemarken 2002. Møller en Lydolf verspreidden vragenlijsten onder mensen met LFG-klachten in Denemarken en kregen er 202 terug. De deelnemers waren tussen 14 en 86 jaar, maar gemiddeld 56. Vaak werden de volgende beschrijvingen van het geluid gegeven: laag zoemend/dreunend, constant en onprettig, gaf ook druk op de oren, werkte in op het hele lichaam, klinkt als geluid van een grote, stationair draaiende motor van een vrachtwagen, pomp, boot of vliegtuig, komt van ver weg buitenshuis en misschien (ook) door de grond. De meesten hadden al last van het geluid (bijna) zodra ze het hoorden. Ze hoorden het vooral binnenshuis, misschien wat vaker ’s avonds/nachts dan overdag, en veel minder vaak elders (binnen of buiten). Bijna iedereen hoorde het met de oren, maar bijna 45% ook als trillingen in het lichaam en bijna 30% via trillingen van het gebouw of dingen erin. Bij 38% van de deelnemers hoorde niemand anders het LFG, bij 29% konden enkelen het horen en bij 14% kon iedereen het geluid horen. 63% van de deelnemers hadden ’s nachts oordoppen geprobeerd, maar vaak had dat geen effect. 41% had de huisarts geraadpleegd en 17% gebruikte medicijnen. Twee op de drie deelnemers hadden een klacht ingediend en vaak had een ambtenaar de klager of buurt bezocht, waarbij in de helft van de gevallen geluidmetingen werden verricht en bij 16% trillingsmetingen. In de meeste gevallen werd geen oorzaak gevonden.

Denemarken 2003. Poulsen vergeleek de hinder van laagfrequent geluid bij vier LFG-gehinderden van 41-57 jaar met de hinder bij een vergelijkingsgroep van 18 jongvolwassenen (19-25 jaar). In het laboratorium moesten de proefpersonen bij acht laagfrequente omgevingsgeluiden aangeven hoe hinderlijk ze dat vonden. De geluiden (zoals snelwegverkeer, generator, discotheek) werden op drie verschillende sterktes afgespeeld, van heel zacht tot matig luid. Het bleek dat de LFG-gehinderden veel meer hinder ervaarden dan de vergelijkingsgroep. Dat lag niet aan een lagere drempel voor geluiden: de LFG-gehinderden hoorden bij lage frequenties gemiddeld iets minder goed en bij hoge frequenties (boven 2000 Hz) veel slechter dan de vergelijkingsgroep. Ook bleek er geen duidelijk verband tussen de mate van hinder en de mate waarin een LFG-norm werd overschreden, wat bij de vergelijkingsgroep wel het geval was. Er werden zeven verschillende normen uit diverse landen gebruikt, in alle gevallen gebaseerd op de gemeten sterkte van het laagfrequente geluid. Poulsen concludeerde dat de gevoeligheid van de LFG-gehinderden duidelijk afweek van de vergelijkingsgroep en dat er bij de gehinderden geen relatie leek te zijn tussen hinder en sterkte van het geluid. 

Denemarken 2008. Møller deed met Pedersen en Perssson Waye een zorgvuldig en gedetailleerd onderzoek bij 21 mensen die eerder mee hadden gedaan aan het hierboven besproken vragenlijstonderzoek in 2002. Bij hen thuis werden opnamen gemaakt van het geluid in de slaapkamer als de brom goed hoorbaar was en er geen andere storende geluiden waren. De slaapkamergeluiden waren vrij zacht en alleen bij frequenties boven 50 Hz kwamen ze boven de normale gehoordrempel uit. Deze geluiden werden in het laboratorium weer afgespeeld waarbij de deelnemers moesten aangeven of ze het konden horen en of het leek op het geluid in hun slaapkamer. Daarnaast werden ook de gehoordrempels gemeten en daaruit bleek dat sommige deelnemers een gehoor hadden dat weinig afweek van het normale gehoor, maar de meesten hadden een wat minder goed gehoor.

De conclusie was dat bij zeven deelnemers een fysiek (extern) geluid de oorzaak was van de klachten en LF tinnitus bij zes deelnemers. Bij de overige acht deelnemers kon de oorzaak niet met zekerheid worden vastgesteld.

Japan 2012. Met enkele collega’s onderzocht Yamada zes gevallen waarin mensen last hadden van laagfrequent geluid van buiten opgestelde airconditioning apparatuur of andere bronnen. Het geluid werd in de woning gedurende ongeveer een etmaal gemeten en tegelijk hield degene met de klachten bij hoeveel hinder zij/hij (één van de 5 vrouwen of man) ondervond. In alle gevallen bleek dat er geen verband was tussen de genoteerde hinder en (veranderingen in) het gemeten laagfrequente geluid. De zes personen konden niet accepteren dat het geluid een interne oorzaak had zoals bij tinnitus. De onderzoekers vroegen zich af welke invloed van televisie, kranten en het internet op LFG-klachten hadden. Volgens hen wordt door televisie steeds benadrukt dat laagfrequent geluid niet hoorbaar is maar wel schadelijk kan zijn.

A2.2 Recent onderzoek Rijksuniversiteit Groningen

De eerdere metingen in Nederland lieten zien dat het in woningen met LFG-klachten gemiddeld juist heel stil is en dat leidde tot de vraag of de afwezigheid van hoorbaar geluid niet een oorzaak kon zijn van die klachten. Wellicht omdat in die stilte zachte geluiden wel hoorbaar worden. Maar het is aannemelijker dat doordat het gehoorcentrum in de hersenen geen signalen ontvangt er ter plekke geluid wordt ‘gecreëerd’. Het geluid ontstaat dan binnen dat gehoorcentrum (de ‘audiocortex’) en is dus een intern opgewekt fantoomgeluid. In beide gevallen kan het helpen om te zorgen dat er binnenshuis, vooral in de slaapkamer, juist wel geluid is, dus om het minder stil te maken. Daarvoor werd een CD met twee soorten laagfrequente ruis gemaakt en toegestuurd aan iedereen die dat wilde proberen. Die ruis werd later digitaal aangeboden en er werden ook suggesties bij verstrekt om andere geluiden te proberen als de verstrekte ruis niet beviel. In een eerste onderzoek werden alle mensen aangeschreven die tot 2019 een CD hadden gevraagd met het verzoek een vragenlijst in te vullen.

De 103 mensen die de vragenlijst invulden waren vooral rond de 50 tot 60 jaar en wat vaker vrouwen dan mannen. De deelnemers aan dit onderzoek hadden de ruis enkele maanden tot wel tien jaar eerder aangevraagd. Nagenoeg iedereen had last van een laagtonig geluid, maar bijna 30% voelde er ook trillingen bij en 18% druk op de oren. Vóór het gebruik van de ruis hadden de meesten erge last van hun ‘brom’. De deelnemers gaven aan dat ze door het bromgeluid slecht konden ontspannen, moeilijker in slaap konden komen, er wakker van werden, en er vermoeid en geïrriteerd van raakten. Sommigen werden radeloos of depressief. Op een schaal van 1 tot 10 scoorde de overlast gemiddeld 8,5. Na gebruik van de CD daalde dit naar 5. Bij 60% van de deelnemers namen in de loop der tijd de klachten meer of minder sterk af. De meesten van hen gaven aan dat de CD had bijgedragen aan die vermindering, bij de overigen had soms een ander geluid bijgedragen. 33% van de deelnemers had geen baat bij de ruis en bij 7% namen in de loop der tijd de klachten toe. Ongeveer twee op de drie deelnemers stopten op den duur met de CD, de overigen gaven aan de CD nog steeds te gebruiken. 15% van de mensen was intussen verhuisd, soms vanwege het bromgeluid, maar bij 9% was het geluid daarmee niet verdwenen. In de eerste tijd hadden deelnemers die vonden dat de CD hielp duidelijk minder klachten dan deelnemers waarbij de CD niet hielp. Maar na tien jaar was er nauwelijks nog verschil. De ruis leek dus vooral de eerste jaren te helpen; daarna lijkt het dat de meesten met de brom leerden leven, hoewel de hinder van het bromgeluid meestal niet helemaal verdween.

Daarna is een tweede onderzoek gedaan, waarbij meer vragen konden worden gesteld, deels vóór de ruis werd toegestuurd  Van de bijna 190 mensen die sinds eind 2018 de ruis hebben aangevraagd, hebben er tot 2023 125 alle drie vragenlijsten ingevuld. De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet goed geanalyseerd. Enkele resultaten kwamen goed overeen met die van het eerste onderzoek:

  • De leeftijd van de deelnemers lag tussen 25 en 87 jaar, maar de meesten waren tussen 45 en 65 jaar. Er waren wat meer vrouwen (58%) dan mannen (42%) onder de deelnemers.
  • Vrijwel alle deelnemers (94%) hadden last van een laagtonig of bromgeluid. Van hen had 34% bovendien last van trillingen en 30% had ook last van druk op de oren.
  • Al vóór ze de ruis-CD of -bestanden aanvroegen hadden deelnemers geprobeerd om minder last te hebben van de hinderlijke brom. Twee maatregelen bleken het best te werken: medicijnen (zoals slaap- of kalmeringsmiddelen) hielpen bij twee op de drie deelnemers die dat hadden geprobeerd, een geluid aanzetten hielp bijna de helft van degenen die dat hadden geprobeerd. Maar van alle deelnemers hadden er meer een geluid geprobeerd (88%) dan medicijnen (42%). Andere maatregelen waren veel minder effectief: een andere slaapplaats, oordoppen indoen, proberen het geluid te negeren, ramen open of juist dicht doen, of het geluid laten meten hielp hooguit 1 op de 6 deelnemers.
  • Drie maanden nadat we de ruis hadden toegestuurd, waren bij 55% van de deelnemers de klachten over hun brom verminderd, bij de rest waren de klachten niet verminderd. Als ze waren verminderd, had de ruis of een ander geluid daar bijna altijd bij geholpen.

Uit de aan dit tweede onderzoek toegevoegde vragen bleek daarnaast nog het volgende:

  • Twee van de drie deelnemers zijn geluidgevoelig (voor allerlei geluiden), de meesten van hen erg gevoelig. Dat is hoger dan gemiddeld in Nederland.
  • Bijna alle deelnemers vinden dat het geluid waar ze last van hebben, veel indringender is dan gewoon geluid.
  • Ook vinden de meesten dat het hinderlijke geluid niet in hun eigen hoofd zit.

Aan de deelnemers van dit tweede onderzoek werd gevraagd naar suggesties die mensen met dezelfde klachten zouden kunnen helpen. De meeste suggesties (72%) stelden dat een maskerend geluid of een andere afleiding kan helpen, of het accepteren dat de brom niet weggaat. Nog eens 9% heeft medische of psychologische hulp gezocht. Een minderheid (19%) wilde de brom buitensluiten of blijven zoeken en/of meten of is verhuisd.

Eerder was al geconstateerd dat het in de woningen met LFG -klachten vaak juist vrij stil was. Uit de resultaten van de twee recente onderzoeken blijkt dat relatief veel deelnemers (dus mensen met bromklachten) op het platteland wonen. Je zou verwachten dat het daar stiller is met, minder bronnen van lawaai zijn. Maar op het platteland blijken per hoofd van de bevolking duidelijk meer mensen met bromklachten te wonen dan in stedelijk gebied.